CONVERSATIE – van een afstand gezien

B-Ik haat nationalisten.

T-Ik ook!

B-Een stelletje geitenbreiers is het toch.

T-Matennaaiers! Verraders!

B-Limbo’s? Bedoel je dat?

T-Veelal Limbo’s ja. Niet allemaal hoor. Veel.

B-Lokalo’s! Provincialen! Valse hechting!

T-Limburg als symptoom en als ultieme zondebok. Kent u de uitdrukking: in limbo zijn? Ik denk niet dat ze het vagevuur overleven.

B-Hoewel de hemel natuurlijk ook een grote ramp is…

T-Alleen jammer dat regio’s geen naties zijn. Toch komt het op hetzelfde neer.

B-…het goede vanuit lokaal oogpunt: een eeuwigdurend dan-heb-ik-zoiets-van-best-heel-goed-dat-wij-zijn-wie-we-zijn-gevoel. Kampioenen!

T-…alles is verantwoord, alles heeft diepgang en een doel. En op den duur komt dat zweven je echt mijlenver je keelgat uit. Goedertierenheid is een vloek.

B-De hele dag loopt zo’n Martin Luther King-figuur je aan je kop te zeiken!

T-Maar uiteindelijk zijn we allemaal alleen, dat staat vast, dat zeggen ze…

B-En die Gandhi dan!

T-Waarom niet inderdaad? Ook die gammele zak botten! Saai en doods.

B-Ascetische opblaaspop! Afvoerputje van het ideologisch riool!

T-De dood is al ingetreden. We verwarren standvastigheid met rigor mortis.

B-Ja, dan snak je op een goed moment wel naar vuile, wassende, kolkende oceanen. Naar kinderleed. En naar chemisch afval in de Rijn. Een vervuilde bruine stroom mondt uit in een ondrinkbaar zoute zee…

T-Of naar televisiebeelden van een van de spoorlijn afgeraakte Indiase trein, iemand legde een blok beton op het spoor uit verveling. Passagiers staan niet geregistreerd, uiteengereten lichamen worden op een vormeloze, anonieme hoop bij elkaar geveegd…

B-Wat? Hier nog geen overleden familieleden? Ik hoor het ze fluisteren. Nog niet helaas, hoor ik ze denken. Zelfs daar niet! Waar dan wel? Waar vinden wij verlossing van onze omgeving?

T-Of dat je keihard struikelt en face down in het grint valt…

B-Of dat je moeder in het rusthuis je plotseling niet meer herkent…

T-Maar dat is alleen maar winst, toch? Je was haar toch zat.

B-En dan weet je weer dat je op aarde in de hemel bent…

T-…onder een dak van rotte stro en vergeten veen…

B-…en dat je met je sleutels in de hand moedwillig voorbij je eigen huis loopt, om vier uur ‘s nachts, dronken, maar volledig in vrede met de haat die in jou waait. Als je maar niet naar binnen hoeft…

T-Joh, dan moet je gewoon weg, er tussenuit!

B-Lekker op vakantie in een Vinex-wijk, lijken kijken? Echte doden, in een bank achter een raam waarvan de gordijnen niet dicht lijken te kunnen. Gij zult onze onschuld aanschouwen…

T-Of toch de bergen in? Beboste bergen waarin het gemakkelijk verdwalen is en waarvan de geluiden zich in je bewustzijn nestelen als een Debussyiaanse melodie?

B-Of dat je vanuit een luie ligstoel ziet hoe een kind een drukke straat op rent, maar dat die de dans des doods net ontspringt, en dat een toekijkende oude dame op dat moment het loodje legt. Zwakke harten voor zwakke mensen.

T-Van die dingen, van die dingen ja. Tragische dingen.

B-Juist, die! Precies die! Alleen dan nog net een stukje vuiger. Dat kunnen wij ons eigenlijk niet eens voorstellen, zo vuig, zo smerig, zo onrechtvaardig. Maar toch moeten we dat proberen. Dat is de mogelijkheidsgrond van onze kritiek.

T-Kritiek? We weten nog niet of dat kan. Zo ja, dan is onze perverse verbeelding dus een voorwaarde voor cultuur op zich? Het worst case scenario als fundament van de beschaving! Maar zo moet je die nationalisten dus stiekem gewoon koesteren?

B-Ja. Hun schaamteloze onnozelheid is olie op ons vuur, op het heilige vuur der verontwaardiging. Vuur is verlichting! Bloed is leven!

T-Zeker het bloed van een ander. We zijn onverbeterlijk laf.

B-Nee! Bij voorkeur het eigen bloed! We hebben alles te verliezen in onze huidige toestand, maar alles te winnen zodra we onszelf verloren zijn. We stromen leeg om onszelf weg te voelen vloeien. Dat is de enige reden.

T-De reden dat wij nog in de spiegel kunnen kijken…

B-De reden dat wij er nog zijn. De reden dat wij nog geen collectieve zelfmoord hebben gepleegd.

T-Je gaat te ver. Je gaat voorbij aan onze instincten. De soort moet in stand worden gehouden. Het species mens kan zich uiteindelijk geen thanatos veroorloven…

B-Maar deze doodsdrift is uiteindelijk wil tot leven – al het overbodige laten we afsterven als een afgeknepen ledemaat, opdat het in ons weer circuleren kan.

T-Amputatio ergo sum…

B-Je snapt het!

T-Totaal niet. Ik kijk tegen je op. Ik lul maar wat met je mee.

B-Jezus nee toch! Verspilde moeite dus, dit hele gesprek?

T-Nee. De reden dat ik mezelf niet voor een trein werp is het feit dat ik dit gesprek nog kan voeren. Ik voel nog. Ik kan me nog verplaatsen in de geest van een ander. Ik kan een ander nog doen geloven dat er een verstandhouding is. Dat moet je af en toe uittesten.

B-Dus niets van dit alles meende je? Ik was dus selchts een proefpersoon, een stootkussen? Elke consensus illusoir?

T-En daar zou jij door beledigd zijn? Laat me niet lachen! Het nihilisme dat jij predikt is in feite gestoeld op zo’n irrationeel, clownesk optimisme, dat ik me niet kan indenken hoe jij überhaupt ooit een deel van jezelf zou kunnen opgeven. Achter die trotse, arrogante glimlach van je schuilt een angst die je nooit onder ogen zult kunnen zien. In die afgrond zou je onherroepelijk verdwijnen, dus veins je een onverschillige wijsheid. En dat kun je volhouden, omdat je de hoop nog niet hebt verbannen!

B-Moet ik me nu betrapt voelen? Een suïcidale gek die mij op m’n plaats zet! Ha! Mijn ‘geveinsde wijsheid’ is echter, eindeloos meer waar dan jouw treurige meepraterij! Hoezo kijk je tegen me op? Uit wat voor zelfbeeld kun je in godsnaam tegen mijn nederigheid opzien?

T-Nederigheid? Wie verkondigt hier afsterving van het ego, om zich vervolgens tot onwerkelijke proporties op te blazen tegenover iemand die zich overgeeft? Wie durft het hier aan om een gewonde te beroven van z’n laatste restje eigenwaarde?

B-Ach, zelfmedelijden is zelden een goede raadgever. Ik ben wellicht hypocriet – nou en? Wie heeft jou gevraagd om mij op te hemelen? Wie heeft jou opgedragen om met mij mee te praten?

T-Je valt me tegen. Ik dacht een waardige gesprekspartner te hebben gevonden. Maar jouw poging om mij te overtuigen bewijst in één beweging door dat je op geen enkele manier staat achter dat wat je mij probeert wijs te maken. Wat moet afsterven is volgens mij juist die drang om anderen te overtuigen van je gelijk.

B-Aha! En daar probeer jij mij nu van te overtuigen! Het lijkt er zo bezien op dat we er beiden weinig van hebben begrepen!

T-Als we consequent zijn, inderdaad. Maar moeten wij dat zijn?

B-Dat is een keuze.

T-Als consistentie een keuze is, wat kies jij?

B-Ik denk dat ik mijn keuze nu niet moet laten bepalen door de druk van dit gesprek. Ik zou verkeerd kiezen.

T-Zou je ooit kunnen kiezen?

B-Alles wat ik zeg kan tegen me worden gebruikt. Jij?

T-Volgens mij heb ik al voldoende aangetoond dat het mij om het even is. Ik lieg net zo lief als dat ik de waarheid spreek. Dat is helemaal afhankelijk van de context. En van mijn intenties.

B-Maar haat jij nationalisten nou wel of niet?

T-Natuurlijk wel, op een bepaald niveau. Ik vind het alleen zo’n infantiele manier van denken. Haat manifesteert zich doorgaans in de minder ontwikkelde geest, zo is mijn ervaring.

B-Haten is ook een groot woord misschien.

T-Het moment dat morele afwijzing omslaat in emotioneel afgrijzen, is het moment dat het irrationele zijn intrede doet in onze beoordeling van de wereld. Emoties als haat vertroebelen onze blik. Vanuit gevoel heeft nog nooit iemand iets adequaat geanalyseerd.

B-En toch is het dat gevoelsleven wat ons leven nog enigszins de moeite waard maakt… De ratio is in onze beleving een spelbreker, dat wat constant tussen ons en de werkelijkheid geplaatst is. Ons denken werkt als een bemiddeling: haat, als liefde, brengt ons in direct contact met het leven…

T-In de minder ontwikkelde geest inderdaad. De ratio echter verschaft weidse vreugde wanneer zij tot volle wasdom komt. Meer vreugde dan het directe voelen alleen, temeer daar zij het voelen sturen kan!

B-En die onvermijdelijke afstand?

T-Die is niet onvermijdelijk. Die is overbrugbaar. De door en door redelijke mens ontstijgt het louter sensibele, maar incorporeert het daarmee meteen. Voorbij het animale voelen ligt de meesterschap over de ervaring. Daar ben ik op uit.

B-De rollen zijn wel een beetje omgedraaid. Ik dacht jou wat te kunnen vertellen – nu blijk jij de opvoeder!

T-Je bent milder gestemd, dat doet me deugd. Alleen een kalm oor kan werkelijk horen. De ander kan alleen in rust tegemoet worden getreden, zo komt het me voor. Maar een opvoeder wil ik niet zijn, integendeel. Wellicht dat jij je in een volgend gesprek – als je mij hierna ooit nog wilt spreken – ontpopt als opvoeder, wellicht dat ik dan onderricht word. Waarmee ik overigens allerminst beken jou iets te hebben willen leren!

B-Misschien heb je dat toch gedaan. Maar dat betekent niet dat ik je opeens mag. Neem m’n kaartje.