Vrienden maken

Als we de Rotterdamse Oude Binnenweg inlopen zegt m’n meisje: ,,Volgens mij is dat daar een café voor iets minder rijke mensen.” Ik zeg okee. Het is vrijdagmiddag. We gaan biertjes drinken.

Ik was er al eerder langsgelopen, maar de plek was me nooit echt opgevallen. Voor de deur, op het terras dat uit een enkel bankje bestaat, zit een groep mensen die rechtstreeks uit een lekker ranzig  kraakpand lijkt te zijn gekropen. In 1983 dan. De gloriedagen van punk en drugs, zonder toekomst. Bomberjacks, kistjes, kapotte petjes, afgetrapte sneakers, vale tatoeages en wazige blikken. Ruw en doorleefd maar vrolijk alsof er inderdaad geen morgen is. Het moet nu gebeuren.

Binnen blijken de biertjes Poolse prijzen te hebben: 2,50 voor een halve liter. En er wordt gerookt.  Aan de bar hangen nog veel meer onsterfelijke figuren, starend naar halflege glazen of druk in gesprek over het een en ander. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat alcohol niet het enige middel is waarmee de mensen zich hier vermaken. Al kan ik het fout hebben. Natuurlijk. Dat kan.

M’n meisje gaat op het bankje zitten, ik sta ernaast, we hoeven niet veel te zeggen. Even verderop staan twee agenten met een gezette vrouw en een lange donkere man te praten. Een man met ingevallen wangen, grote ogen en korte dreads komt op het terras afgelopen en begint direct: ,,Daar staan verklikkers. Verklikkers! Ik zeg het je!” Hij kijkt er bozig bij. ,,Ik zweer het je, ze vertellen alles wat hier binnen gebeurt!” De vrouw tegen wie hij lijkt te praten haalt haar schouders op. ,,En wat dan nog? Jij schijnt je er nogal druk over te maken. Ik ga naar binnen.” Hij besluit zelf ook maar naar binnen te gaan. We kijken toe, zoals dat gaat.

Maar als de kleine opwinding is weggezakt zijn wij opeens  het onderwerp van aandacht. Kees en Sonja, die naast m’n meisje zitten, willen weten waar we vandaan komen. Kennelijk is het op zo’n moment toch altijd weer lastig om te zeggen dat je uit Amsterdam komt. Maar Kees is wereldburger en schilder en ik voel me welkom. In Rotterdam voel ik me bijna overal welkom. Trotse Amsterdammer behoort met de dag minder zijn stad toe. Ha! Sleetse trots! Had ik maar eerder geweten hoe gemakkelijk je te verjagen was!

Er is plek op het bankje. Nu zitten we hier met Sonja en Kees de schilder die in de winter geen werk heeft en zijn we aan onze tweede halve liter toe. Kees verdient bij met ijzer en koper, maar tegen Bulgaren kan hij niet op. ,,Die zag ik laatst met een enorme lading rood koper bij de ijzerboer. Kregen ze zo 10.000 euro voor! Koper is het nieuwe goud. Waar ze het vandaan halen… geen idee.” De man die overal verklikkers ziet komt bij ons staan en laat ons zijn nondescripte drankje proeven. De man die ze Rod Stewart noemen staat voor zich uit te kijken, ik denk dat hij tevreden is. M’n meisje haalt een biertje voor een iets te luidruchtige jongen met net iets te weinig geld. We maken vrienden volgens mij. Toch moeten we na een liter bier eten. ,,Het begint nu pas een beetje leuk te worden!”

Ik stel me voor dat ze daar altijd zijn. Af en toe wat slapen, leunend tegen een muur of op de wc. En dan weer verder feesten. Wij doorsnee mensen hebben toch echt voedsel nodig. En een bed af en toe. Maar we komen terug om te kijken of ze er allemaal nog zijn.